:
zijn (koppelwerkwoord), eruitzien:

estar bien: het goed maken
estar bien con una persona: het goed kunnen vinden met iemand
¡está bien!: okay, dat is goed
estar bueno: a) gezond zijn, in orde zijn; b) lekker zijn
estar enfermo: ziek zijn
estar hermoso: er prachtig uitzien
¿cómo está Usted?: hoe gaat het met u?
te está bien empleado: je hebt het verdiend

Andere betekenissen, onder andere: zich bevinden, (m.b.t. kleding) zitten, staan

» Hoofdwoordenlijst

:
zijn (koppelwerkwoord), eruitzien

estoy (yo)
estás (tú)
está (él, ella, usted)
estamos (nosotros)
estais (vosotros)
están (ellos, ellas, ustedes)

estar bien: het goed maken
estar bien con una persona: het goed kunnen vinden met iemand
¡está bien!: okay, dat is goed
estar bueno: a) gezond zijn, in orde zijn; b) lekker zijn
estar enfermo: ziek zijn
estar hermoso: er prachtig uitzien
¿cómo está Usted?: hoe gaat het met u?
te está bien empleado: je hebt het verdiend

Andere betekenissen, onder andere: zich bevinden, (m.b.t. kleding) zitten, staan

» Hoofdwoordenlijst